Lees alle essays

Dag 7: Veles - Zagreb

Anna heet ze, onze meereizende douanier, en als ze eenmaal gesetteld is op de achterbank tussen alle bagage ontpopt ze zich als een gezellige reisgenote. Haar auto staat ruim 100 kilometer verderop, bij de tweede tolpoort, dus we hebben de tijd voor een goed gesprek. Al snel brengen we de vluchtelingen ter sprake. Ze proberen haar grens over te steken, en het is haar taak ze tegen te houden. Maar het zijn er veel minder dan een paar jaar geleden, zegt ze, de situatie is onvergelijkbaar met 2015. En eigenlijk gaan er nu meer vluchtelingen terug naar het zuiden dan naar het noorden. Dat herkennen we: een kilometer of tien voor de grens tussen Macedonië en Servië zagen we een handjevol vluchtelingen zuidwaarts lopen langs de snelweg. Voor hen was Fort Europa onneembaar - deze keer.

Het valt me op dat er weinig afwijzends in haar toon valt te bespeuren, eerder begrip. Ze werkt nu twintig jaar bij de Servisch-Macedonische grensbewaking, ondertussen als chef (trots wijst ze op de strepen op haar epauletten) - ze heeft dus heel wat meegemaakt. Het staartje van de Balkanoorlogen, de onafhankelijkheidsverklaring van Macedonië, de opstand van de Albanese minderheid. Migratie is een gegeven waar ze dagelijks mee te maken heeft. In het ene land is het nu eenmaal beter dan in het andere.

Haar Macedonische collega's verdienen veel meer dan zij, vertrouwt ze ons dan opeens toe. Die krijgen omgerekend 500 euro per maand, zegt ze met lichte verontwaardiging in haar stem. Asjen en ik kijken elkaar aan. 'Wat verdien jij dan, als ik vragen mag?' Driehonderd euro, is het antwoord. Even is er verwarring over het aantal nullen, maar nee, het is inderdaad drie-nul-nul euro. Asjen, die net getankt heeft, vraagt retorisch hoeveel een liter bezine kost. Rond de €1,25, zegt ze. Daarom staat haar auto ook vlakbij huis en lift ze naar haar werk: zelfs met haar vier dagen op, vier dagen af werkschema zou anders de helft van haar salaris letterlijk in rook opgaan. We realiseren ons ineens dat de in onze ogen zo goedkope koffie (omgerekend een euro voor een goede cappuccino) voor de Serven heel duur is.

Dan vraagt Anna of wij weten hoe de wetgeving in elkaar steekt om naar Nederland te mogen verhuizen. Ze droomt er soms van om met haar vriend naar ons land te gaan, of anders misschien wel Zweden of Noorwegen... Mijn oudste zoon is al een paar jaar bezig met de papierwinkel om zijn vriendin uit Azië naar Nederland te laten komen, dus toevallig kan ik haar uitleggen hoe zo'n traject in elkaar steekt. Een lang, intensief en tijdrovend proces. Dat herkent ze wel; het is ook heel moeilijk om vanuit Servië naar de EU te komen. Tenzij je dokter bent, zegt Anna dan. Alle dokters vertrekken naar Duitsland na hun opleiding, want een arts verdient in Servië €600 en in Duitsland €6.000. Maar alles wordt anders als Servië lid mag worden van de EU, zegt ze hoopvol.

We komen aan bij de tweede tolpoort. Wij tikken meer af voor de gereden kilometers dan Anna tijdens die reistijd had kunnen verdienen, en zij stapt uit. We nemen afscheid - geen selfie, want dat mag niet in uniform. Anna stapt over in haar auto en wij rijden door naar het land van haar dromen.

Die dromen zijn voor ieder mens grotendeels hetzelfde, denk ik. Veiligheid voor je gezin, een dak boven je hoofd, eten op tafel, vrienden om je heen. Een menswaardig bestaan. Als mensen hebben we dezelfde basisbehoeftes en verlangens, ongeacht waar je wieg stond. En als op die plek geen mogelijkheden zijn om dat geluk te vinden, dan zoek je het elders. Anna had als grensbewaker geen oordeel over de mensen die probeerden haar grens over te steken. Ze zag dezelfde verlangens die zij ook in zichzelf herkende.

En zo nadert onze reis zijn einde. We hebben niet gekregen wat we hoopten: geen compassie van regeringen, geen zachtere harten. Geen 150 vluchtelingen op onze achterbanken. Wat we wel hebben gekregen is een boel ontmoetingen met mensen die wanhopig zoeken naar een plek om te mogen zijn. Op twitter zagen we een mooi gedicht - we kunnen het niet terugvinden, maar het was iets als: "Wilt u (be)zitten? Nee, laat mij maar (be)staan".

De boodschap die we namens tienduizenden ondersteunende Nederlanders mochten brengen, dat de vluchtelingen in Griekse kampen wél worden gezien, dat ze niet zijn vergeten en dat ze er mogen zijn, wat ons betreft in ons land, is aangekomen en had grote impact. En de talloze krantenartikelen (van lokale bladen tot Le Monde en de New York Times) en TV-items hebben ervoor gezorgd dat dit onderwerp, dat alweer zo lang ongezien en onbesproken was, weer bovenaan de politieke agenda's staat.

Wat we onderweg hebben gezien is dat een superioriteitsgevoel kweken langs de lijnen van etnische of culturele verschillen, angst (of zelfs haat) zaaien jegens bevolkingsgroepen, niet leidt tot meer stabiliteit en welvaart maar juist tot achteruitgang voor iedereen. Wie ook wil zien hoe destructief die beweging is hoeft niet verder te reizen dan de Balkan, waar in de recente geschiedenis Joegoslavië uiteenviel door tribalisme.

De God van de bijbel nodigt steeds weer, de hele geschiedenis door, uit om anderen te omarmen en te groeien: als mens, als gemeenschap, als mensheid. De beweging is altijd naar voren, naar buiten, uitbreidend naar de hele wereld - nooit naar binnen, terugtrekkend op de ogenschijnlijk veilige grond van je eigen 'stam'.

Slogans als 'eigen volk eerst', 'minder Marokkanen' of 'America first' zijn een handrem op de bewegingsrichting die God heeft ingezet. En gelukkig zijn er vele mensen, waarvan we op deze reis een aantal hebben mogen ontmoeten, die de handrem losgooien en gas geven. Soms voorzichtig, noodgedwongen onder de radar opererend, soms voluit tot op de bodem gaand. Voorwaarts.

De zegen die God geeft is nooit bedoeld voor de ontvanger alleen, maar altijd om door die ontvanger heen alle volken te bereiken. Die zegen doorgeven, dat is bouwen aan 'het Koninkrijk dat onder u gekomen is'.

Dat bouwen hoeft niet altijd groots en meeslepend te zijn, het bestaat juist in de kleine dingen. Boodschappen doen voor je zieke buurvrouw, doneren aan de voedselbank, een deken geven aan een kind dat het koud heeft. Zoals Lenče uit Veles zei: het zijn millimeters, maar vele millimeters maken een kilometer. En zoals de voormalig perschef van Martin Luther King, Harcourt Klinefelter, de WeGaanZeHalen-chauffeurs voorhield bij vertrek uit Utrecht: "Jezus zegt in Matheus 25: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijkste van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan."

Het lied Christmas Poor van David Adam verbindt die tekst met het wonder van Kerst: 'You are the other who comes to me: If I open to another you're born in me.' 

You are the caller, You are the poor.

You are the stranger at my door.

You are the wanderer, the unfed.

You are the homeless with no bed.

 You are the man driven insane,

 You are the child crying in pain.

 You are the other who comes to me:

 If I open to another you're born in me.