Verkondiging van de lofprijzingdienst op zondagmiddag 19 november 2000
door W.G. Rietkerk, Nederlands Gereformeerd predikant te Utrecht.

Aan deze dienst werd medewerking verleend door het interkerkelijk jongerenkoor Message.

Schriftlezing: Efeziërs 2: 14-22

Tekst: Galaten 6: 1-10 Vergeven, delen, dragen, zaaien

Verkondiging: Gemeente van Christus,

Het thema van deze lofprijzingdienst is: de gemeente als lofprijzende gemeenschap. Het trof mij dat dit gedeelte uit de Galatenbrief ons juist op dat punt heel veel wil leren. Dit deel uit de Galatenbrief, hoofdstuk 6, is een heel praktisch deel, en gaat over de gemeente als gemeenschap. Het gaat daarin ook over gemeenteopbouw. Hoe verandert het geloof in Jezus Christus nu onze relaties? Een christelijke gemeenschap valt op, als het goed is. Het is geen verzameling individuen die als kille knikkers naast elkaar in één verband zitten, maar het is meer een organisch geheel van een druiventros waarin echte en in Christus verwortelde relaties zich ontwikkelen. Wat ik zie gebeuren in deze tijd is dat de Here God bezig is de kerken te veranderen. Daarin zit iets heel bemoedigends. Ik bespeur daar iets in van de Heer zelf op de verwereldlijking van de kerk en op de kerkverlating. De Heer is bezig de kerken te veranderen van instituten naar gemeenschappen, van volkskerken naar levende cellen. In zeker opzicht keren we daarmee terug naar de vroegchristelijke gemeente waar de kerk ook een verdwijnende minderheid was maar waar ze een zegenrijke werking had, omdat ze leefden in echte, levende gemeenschappen, waar men met elkaar deelde en waar men elkaar droeg. Een plaats waar verzoende relaties zichtbaar worden. Het is ook opvallend dat de apostel Paulus daar begint. In Galaten 6 begint hij met: "Broeders en zusters, gemeente, zelfs als iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij die geestelijk zijt hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf, gij mocht ook eens in verzoeking komen."

Dat is eigenlijk de eerste grondregel voor gemeenteopbouw. De eerste regel is: Geen gemeente kan ooit een levende gemeenschap zijn als ze niet leert te vergeven, 'zelfs daar waar we elkaar betrappen op een overtreding', zegt de apostel. Het allerbekendste, het meest vanzelfsprekende, het moet steeds weer worden herhaald. Want het is natuurlijk het allermoeilijkste, het ligt niet in onze aard om dat te doen. Wij vergeven niet, wij onthouden en we helpen liever niet terecht, we wijzen liever terecht. Laat de ander het maar voelen. Dan nemen we weer die kille afstand, die niet alleen het gevolg is van onmacht, maar vaak ook van onwil. Iemand die in overtreding is, is niet aantrekkelijk. Iemand die oneerlijk doet, onecht spreekt, zelfzuchtig is of aandachttrekkerig, klagend, zo iemand laten we liever vallen. Als Paulus spreekt over gemeenteopbouw dan begint hij daar. Hij zet zo als het ware de gemeente op haar fundament. Ons fundament is, zou je in een eerste grondregel kunnen zeggen, leven uit de vergeving, de vreemde vrijspraak. U hebt gratie gekregen, ieder van u, dat heeft u bevrijd, -daar gaat de hele brief over- van een leven naar het vlees, dat wil zeggen vanuit je eigen zelfzuchtige ik, en nu bent u een mens die leeft door de Heilige Geest. Laat het dan hierin uitkomen dat u de ander in zijn falen opvangt en terecht helpt. Mooie uitdrukking, terecht helpen. Er staat eigenlijk een uitdrukking voor 'weer in het lid brengen van een arm die uit de kom geraakt is'. Mensen die dat is overkomen weten dat dit uitermate pijnlijk is. 'Terecht helpen' is dat omzichtige, gevoelige iets, weer helpen om in het gelid te raken. Dat is wat Paulus hier zegt, en dat moet gebeuren in een geest van zachtmoedigheid. En dat is niet halfzachtheid. In de bijbel werd Mozes de zachtmoedigste man op aarde genoemd. Nou, hij kon donderen in zijn toespraken tegen Israël. Maar dat betekent wel: hij deed dat met een stuk vereenzelviging. Zie op uzelf, hoe u bent en wat u is overkomen en kan overkomen, zegt Paulus. Wat je nu kritiseert in de ander: morgen doe je het zelf. Zo spoort de apostel ons aan voor die eerste regel van gemeenteopbouw. Je zou het zo kunnen formuleren: er is geen gemeenteopbouw zonder onderbouw. Want dit is natuurlijk het fundament: vergeving. Elkaar terecht helpen in een geest van zachtmoedigheid.

Daar gaat vers twee, als u leest dan ook verder op door. Die geest van elkaar helpen, je met de ander vereenzelvigen, speelt niet alleen een rol bij vergeven, dat is het herstel van de relatie, maar het speelt ook een hoofdrol bij het samen leven, het verdergaan in die relatie. Nog veel breder dus geldt: zo zult gij de wet van Christus vervullen: draagt elkanders lasten. Niet alleen tekortkomingen, maar ook gewoon moeiten. Er staat letterlijk: zwarigheden. Het omvangt alles, moeiten in je werk, werkeloosheid, bij de één te grote drukte in het gezin, bij de ander juist kinderloosheid, bij de één moeite in de omgang met een familielid, bij de ander moeite in de omgang met zichzelf. Ziekte, ontslag, rouw, depressie, oud worden, er is niemand die buiten schot blijft. In de gemeente dragen wij die lasten van elkaar. Echt christen zijn betekent de lasten van de ander dragen. Dat het de wet van Christus wordt genoemd, dan denken we aan de bekende profetieën uit Jesaja waar staat dat dat nu het kenmerkende was van de Knecht des Heren. Hij droeg onze lasten. Daar staat dat zelfde woord.

Dat kan natuurlijk nooit zonder dat je ook deelt met elkaar. Dat kan je alleen doen in kleinere verbanden. Dat is een tweede hoeksteen voor gemeenteopbouw: ieder lid moet deel zijn van een kleiner verband, een cel, een bijbelgroep, een gesprekskring, een gemeenschapsverband waarin dat ook kan gebeuren, dat dragen en gedragen worden. Even noodzakelijk als de zondagse kerkgang. Hier ligt ook een antwoord op een wijd verbreid gevoel van ongenoegen, juist bij de grote-stadsgemeente. Ik heb het gevoel dat ik er niet bij hoor. Ik word overvallen door een gevoel van vervreemding als ik zondags in de kerk zit. Wie let er nu op mij? Waar ben ik nu nodig? Dat komt heel veel voor. Het antwoord op dat probleem wordt hier gegeven. Dat komt omdat zo iemand niet in een kleinere kring echt deelt, de lasten van de ander draagt en zelf op zijn beurt weer door de ander gedragen wordt. Dat gevoel van er niet bij horen, niet nodig zijn, en dat gebeurt heel vaak in de kerk, dat komt dus eigenlijk omdat men in de kerk elkaar niet in die kleinere verbanden kent. Die kleinere eenheid, als een druif organisch verbonden met al die andere cellen. Dat is het tweede dat wezenlijk is voor gemeenteopbouw.
Gemeenteopbouw vindt plaats in kleine gemeenschapskernen, waar leden met elkaar moeiten, noden, gebreken delen en dat ook met elkaar dragen.

De derde regel.
Paulus zegt: "Wees daarin nu eens eerlijk met uzelf." Een opvallend woord wat hij daar ineens aan toevoegt. Want indien iemand zich verbeeldt dat hij iets is en het niet is, dan vergist hij zich zeer. Ieder moet zijn eigen werk toetsen en dan zal hij slechts voor zichzelf stof tot roemen hebben, niet voor een ander. Een heel opvallend woord. Alsof de apostel zegt: Wordt eens eerlijk met jezelf. Misschien verbeeldt je je wel dat je een levend christen bent, maar je bent niet echt een levende steen in dat gebouw. Help je echt die ander die jou gekwetst heeft? Of wijs je die ander terecht? Voor wie draag je nu werkelijk die moeiten? Wees eens eerlijk met jezelf. Als vragen zoals deze: van wie draag ik de moeiten, kennen ze mijn moeiten, hoe ga ik daar mee om? Als al die vragen negatief uit zouden vallen dan zegt de apostel Paulus: "Maak er dan vandaag een verandering in! Toets je eigen werk, alleen als je eigen werk toetst kun je in jezelf stof tot roemen hebben. En niet voor een ander." Dat leidt tot de derde regel: gemeenteopbouw stagneert bij ondiepe relaties, die een gevolg zijn -dat lees ik in vers 3- van een slecht kennen van jezelf, een niet reële kijk hebben op jezelf. Ieder moet zijn eigen werk toetsen. Misschien denkt u: wel vreemd, dan zou hij alleen voor zichzelf stof tot roemen hebben en niet voor een ander? We zijn daar een beetje kopschuw over. In jezelf, stof tot roem hebben? Toch beveelt de apostel dat hier. Het bestrijdt de chronische minderwaardigheidgevoelens waaraan wij lijden. Leer God ook eens te danken voor wat Hij jou gegeven heeft in zijn genade, voor wat je hebt kunnen doen voor anderen. Je kan Hem er voor danken, dat is stof tot roem hebben. Hem danken: Heer ik ben blij om wat ik vandaag voor een ander heb kunnen doen, iets voor een ander heb mogen dragen. Bedankt! Ineens houd ik er mee op stof tot roem bij een ander te zoeken: 'Tjonge, wat die ander toch allemaal doet', of 'ik zou best zo als zij willen zijn, die kan zoveel aan!'' Dat is allemaal onzin, u kunt dingen die anderen niet kunnen. Ieder lid van de gemeente kan wat Paulus hier zegt: vergeven, delen, dragen. "Kom tot de ware nuchterheid", zegt de apostel.

Nu de vierde regel.
Dat is een hele korte. We lezen: "want ieder zal zijn eigen last dragen". Eigenlijk een wonderlijke zin, zeker als je hem direct na de eerste zin leest waar Paulus zegt: draagt elkaars lasten. In de oude vertaling staat dat ook letterlijk: draagt elkaars lasten en: ieder zal zijn eigen last dragen. Maar spreekt Paulus zichzelf hier niet tegen? Die ogenschijnlijke tegenstrijdigheid leidt ons nu juist naar het vierde kernpunt van Paulus onderwijs over gemeenteopbouw. Bij het tweede, de eigen 'last', staat een ander woord dan bij elkaars lasten, dat zijn elkaars 'zwarigheden', bij vers 5 staat: ieder zal zijn eigen verantwoordelijkheid dragen. Hoeveel ouders sloven zich niet zo uit voor hun kinderen dat ze hen nooit leren om zelf verantwoordelijkheid te dragen? Dat lijkt heel liefdevol, maar het is natuurlijk negatief. Precies hetzelfde kunnen ouderlingen doen en dominees, je ziet het zelfs de overheid doen. De Nederlandse overheid loopt hetzelfde gevaar. Je maakt zo'n goede sociale verzorging dat de onderdanen zelf geen verantwoordelijkheid meer leren dragen. Dat is natuurlijk fout. In een echte gemeenschap helpen wij elkaar om zelf verantwoordelijkheid te dragen. Wij dragen elkaars lasten, zeker, maar dan zo dat de ander niet als een stuk onbenul alleen maar met de handen over elkaar hoeft te zitten, maar juist op zo'n manier dat die ander in staat gesteld wordt om zichzelf te helpen en zelf mee de verantwoordelijkheid te dragen.

Paulus past dat nog even toe, ook op dominees, dat ze de ruimte moeten hebben, financieel, -daar zal ik niet over uitweiden want ik heb niks te klagen- maar hij zegt het nog even met een toespitsing op degenen die onderricht geven. Maar het hoofdpunt bij hem is toch vooral dat hij zegt: "Je moet elkaar dragen, maar elkaar ook leren de eigen verantwoordelijkheid zelf te beseffen." Dat is die vierde grondregel. Geen groei in gemeenschap is mogelijk zonder dat wij elkaar leren om ieder zelf verantwoordelijkheid te dragen.
Dan sluit Paulus af met een oproep -vers 7-10- "Dwaalt niet, God laat niet met zich spotten. Wat een mens zaait zal hij ook oogsten." Dat slot zet de opbouw van de gemeenschap wel onder een heel hoog bevel. Het is alsof de apostel ons tenslotte wil waarschuwen. Wanneer we werken aan gemeenteopbouw, zijn we niet bezig met een hobby. De één houdt veel van sport, de ander van muziek, en weer een ander steekt zijn tijd in de computer. En zo zijn er sommigen die dan ook tijd investeren in de kerk, in de geloofsgemeenschap. Zo is het niet. Het is een grondregel voor gemeenteopbouw dat wanneer je werkt aan relaties vanuit genade en vergeving, elkaars lasten draagt in kleinere kring, eerlijk bent ten opzichte van jezelf, je eigen verantwoordelijkheid aankunt, -ik noem dat zomaar als vertaling van wat er staat- dan zijn dat de kanalen waarlangs wij de gemeente bouwen en uitbouwen. Dat is -zegt Paulus- 'zaaien op de akker van de Geest'. Gemeenteopbouw is geen hobby, het is zaaien op de akker van de Geest. Wie op zichzelf blijft zitten, wrok koestert, niet deelt en niet draagt, die zaait op de akker van het vlees, zegt Paulus. Dan kan je ook niet anders dan als oogst verwachten: eenzaamheid en ontwrichting, en tenslotte verderf. Maar wie de wet van Christus vervult door te dragen in verantwoordelijkheidsbesef en eerlijkheid, die zaait op de akker van de Geest. Die zal ook oogsten: liefde, gemeenschap, en leven.

Zo vat de apostel tenslotte samen: Daarom, laten we niet moe worden goed te doen want we zullen oogsten als we niet verslappen. 'Maar allereerst', zegt hij: 'denk aan je eigen gemeenschap, bouw die op in kracht. Doe wat goed is zo lang je de gelegenheid hebt.'
Begin dicht bij huis en laat de regels van de apostel aan je oog voorbij gaan:

Als deze regels gehandhaafd worden dan wordt de gemeente de plek van waar uit de Here God aan het werk gaat in de wereld. De wereld die verlossing nodig heeft.
Zo gaan we de komende week ook weer aan het werk. Gescherpt door zijn bevel en bemoedigd door zijn belofte.

Amen